|
|
Geschiedenis van de tweeassige rijtuigen in Nederland.De "standaard" tweeassige rijtuigen waren bij alle maatschappijen in Nederland nagenoeg gelijk van constructie. Deze was zeer eenvoudig: een tweetal ijzeren stelbalken en bufferbalken, houten dwarsbalken in het onderstel en een houten rijtuigbak met plaatijzeren bekleding. Wat uiterlijk betreft is er een soort "evolutie" in te zien: Men kende voornamelijk AB en C rijtuigen. Per AB werden twee C rijtuigen samengesteld in een trein en tot het invoeren van doorgaand remwerk op alle personentreinen (rond de eeuwwisseling) was 1 op 5 rijtuigen van een schroefrem voorzien. Na wat onsamenhangende bestellingen kwam bij de tweeassers uiteindelijk ook meer eenheid in afmetingen en vorm. De totale lengte van deze late tweeassers was meestal nagenoeg gelijk: Dienst en afvoer van de tweeassers:Deze rijtuigen zijn alle gebouwd voor het rijden van sneltreinen. Toen vanaf 1890 steeds meer drieassers in dienst kwamen zakte ze af tot stoptreinen en forenzentreinen. Deze diensten hebben ze dan ook tot hun einde gereden. Ze hebben geen dienst gedaan als lokaaltreinmaterieel al reden ze natuurlijk wel ook in de kortste stoptreinen die er veel van weg hadden… Overzicht van de diverse maatschappijen en hun tweeassige rijtuigen:De rijtuigen van de Staatsspoorwegen:De eerste tweeassers van de Staatsspoorwegen waren nogal gevarieerd. Men liet verschillende fabrikanten twee- en drieassige rijtuigen bouwen met zeer uiteenlopende vormen. Mogelijk met het ook op het uitproberen wat het beste zou bevallen. Vele daarvan werden al 20 jaar later afgevoerd. Voor de 1e/2e klasse bouwde men ook enkele rijtuigen van het koetstype. Dit werd al snel verlaten voor de "normale" coupé bouw zoals ook al bij de 3e klasse werd gebruikt. In eerste instantie hadden al deze rijtuigen geheel rechte zijwanden, na 1870 werd de onderzijde naar binnen afgerond uitgevoerd. Ongeveer één op vijf rijtuigen werd van remstoel voorzien. Deze remstoelen raakte in het begin van de eeuw in onbruik omdat ze niet langer gebruikt mochten worden door de verscherpte eisen van de Raad van Toezicht. Men probeerde eerst het comfort voor de remmers nog wel wat te verbeteren door op een aantal rijtuigen een plaatijzeren kap over de stoel te plaatsen maar het mocht niet baten. De NBDS rijtuigen:Ook de NBDS liet rijtuigen bouwen die nagenoeg gelijk waren aan de SS exemplaren van 1870. Uiterlijk verschil zat voornamelijk in de plaats van de handgrepen op de zijwand. Ook was het eigen gewicht lager, waarschijnlijk door een iets mindere kwaliteit hout als de SS toepaste. De NBDS stond bekend om haar financiële problemen en kon dan ook lang niet altijd haar bestelde rijtuigen afnemen. Hierdoor kwam de HSM in het bezit van een serie tweeassige AB rijtuigen van Beijnes die identiek aan de NBDS exemplaren waren… De NCS rijtuigen:De NCS bouwde slechts een klein aantal "standaard" tweeassers voor hoofdlijnen. Deze waren ook nagenoeg gelijk aan de SS exemplaren van 1875. Ze waren bij indienststelling al voorzien van gasverlichting. Blijkbaar had de NCS net zoals de ZHESM al lage sluitseinen in gebruik want deze rijtuigen werden niet van hoge sluitseinijzers voorzien. Ook de zogenaamde "varkensoortjes" of onberemde personen rijtuigen kende men niet bij de NCS. Dit duid er op dat de NCS op al haar materieel al een doorgaand remwerk in gebruik moet hebben gehad en daarmee voorliep op de andere Nederlandse maatschappijen. De HSM rijtuigen:Na haar breedspoor periode volgde de HSM een ongeveer gelijk traject als de SS tot ongeveer 1870. Men bouwde slechts een zeer klein aantal "standaard" C5 rijtuigen. Al snel schakelde men over op 6 coupés om in 1895 ook over te stappen op drieassers met 8 coupés. Voor de 1e/2e klasse rijtuigen hield men zich aan het koetstype tot 1872. daarna bouwde men het "normale" type tot 1881 om daarna over te stappen op drieassers. De AB rijtuigen waren gelijk aan de NBDS rijtuigen omdat ze uit een niet afgenomen bestelling van de NBDS kwamen. De daarna gebouwde AB rijtuigen waren voortzettingen van deze serie maar waren zo'n 15 cm hoger. Al bij de HSM werden deze series per twee rijtuigen kortgekoppeld tot setjes. De eerste setjes werden ook al bij de HSM tot werkwagen omgebouwd, later bij de NS volgde meer van deze verbouwingen. Als zodanig deden een aantal van deze rijtuigen tot begin jaren vijftig dienst bij de NS. De AB rijtuigen zijn al enige tijd leverbaar, tweeassige 3e klasse rijtuigen met teakhouten wandbekleding en 6 coupés zijn dit jaar verschenen. De NRS rijtuigen:De NRS bouwde haar rijtuigen voornamelijk zelf in eigen werkplaats. Hierdoor weken ze wat af van de gangbare types die door de grotere fabrikanten geleverd werden. Grootste verschil was de lengte. Al in 1864 bouwde men tweeassers met een lengte van bijna 10 meter! Men bleef deze lange rijtuigen bouwen tot opheffing van de maatschappij waarna alle rijtuigen over de HSM en SS verdeeld werden die ze al voor de fusie tot NS alle tot 3e klasse verbouwde. De langste tweeassers waren 3e klasse rijtuigen met 7 coupés en een lengte van 10.6 meter. Hiervan zijn tot op heden geen modellen gepland. |
Copyright © 2012
MK Modelbouwstudio's
|